bekijk meer jaarverslagen
ga naar website Gasunie

Jaarverslag 2013

Taal:
  • Nederlands
  • Engels

Minimaliseren van de invloed op onze omgeving
Een aantal bedrijfsactiviteiten die kenmerkend zijn voor onze sector beïnvloeden het milieu. Het gaat bijvoorbeeld om het leggen van leidingen, het bouwen van gasinstallaties, het op druk brengen, transporteren en mengen van aardgas, het meten en regelen van gasstromen, het reduceren van de gasdruk en het onderhoud aan installaties. Voor deze activiteiten is energie nodig, waardoor emissies plaatsvinden. Daarnaast worden bepaalde stoffen gebruikt ten behoeve van het veilig functioneren van gastransportinstallaties, zoals glycol en smeerolie. Ook de werkzaamheden op onze kantoren hebben invloed op het milieu, zij het een beperkte.

We stellen alles in het werk om schadelijke emissies naar bodem, water en lucht zo klein mogelijk te houden. We hebben daarvoor een beleid opgesteld, dat is uitgewerkt in concrete milieudoelstellingen.

Milieuzorg gecertificeerd
Om te waarborgen dat we in relevante bedrijfsprocessen goed rekening houden met het milieu, hebben we ons milieuzorgsysteem ingericht volgens de ISO 14001-norm. Ieder jaar wordt ons managementsysteem op dit punt door een extern auditbureau gecontroleerd.

CO2-emissie
We streven ernaar om op het gebied van het beperken van CO2-emissie toonaangevend te zijn. Het uiteindelijke punt aan de horizon ligt in 2050. We willen in dat jaar, samen met een aantal andere bedrijven, een CO2-neutrale energievoorziening hebben gerealiseerd. Om deze ambitie te kunnen waarmaken, hebben we een strategie uitgezet met een tussentijds ijkpunt. Dit ijkpunt is een vermindering van 40% CO2-equivalenten* in 2030 en is in lijn met ontwikkelingen op dit gebied in Europa. Deze reductie kunnen we halen op de hele scope van het GHG Protocol, die we hieronder toelichten. De reductiedoelstelling die we eerder al voor 2020 hadden opgesteld, blijven we hanteren.

In absolute zin betekent onze doelstelling een reductie van 124 kiloton CO2-equivalenten. Deze doelstelling hebben we het afgelopen jaar naar boven bijgesteld ten opzichte van de voorgaande jaren, van 93 naar 124 kiloton. Dat heeft te maken met nieuwe inzichten over de berekening van het basisjaar. Een aantal emissiebronnen is niet meegenomen in de oorspronkelijke berekening, omdat ze op dat moment nog niet bekend waren. Maar de laatste jaren hebben we meer en ook betere informatie verkregen over emissies; daarom is besloten om de totale hoeveelheid CO2-equivalenten voor het basisjaar 1990 bij te stellen van 478 kiloton naar 618 kiloton CO2.

De emissies waarover we nu betere informatie hebben, betreffen zogenaamde sluipende emissies op gasontvangstations (GOS), meet- en regelstations (M&R) en afsluiter locaties (AL). Sluipende emissies zijn bijvoorbeeld kleine aardgaslekkages bij koppelingen of appendages.
We rapporteren vanaf 2013 volgens de standaard van het GHG Protocol. Dit protocol voor broeikasgassen onderscheidt verschillende scopes, gerangschikt naar herkomst van het broeikasgas. Deze scopes zijn:

Scope 1

Hieronder vallen alle emissies die direct het gevolg zijn van onze eigen activiteiten, zoals de CO2-uitstoot van gasgestookte compressoren en motoren die voor de compressie worden ingezet, eigen gasverbruik voor verwarming van gebouwen en eigen gasverbruik voor de verwarmingsketels op gasontvangstations. In deze scope worden ook de CO2-equivalenten door methaanuitstoot meegenomen. Binnen deze scope valt ook de emissie van fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), die worden gebruikt bij koelingsprocessen.

Scope 2

Onder scope 2 vallen de indirecte emissies van de energie die is ingekocht, bijvoorbeeld van een elektriciteitsbedrijf. Voor ons bedrijf worden de scope 2 CO2-equivalenten met name bepaald door het gebruik van elektriciteit voor onze elektrische compressoren en voor de productie van stikstof. Ook de elektriciteit die we verbruiken op onze kantoren en installatiegebouwen valt binnen deze scope.

Scope 3

Hieronder vallen alle overige indirecte emissies die het gevolg zijn van onze bedrijfsactiviteiten, bijvoorbeeld emissies als gevolg van autorijden, vliegreizen en treinreizen en ook de benodigde energie voor de productie van de door ons ingekochte stikstof.

In 2013 heeft een aantal netwerkbedrijven in Nederland een nieuw model ontwikkeld om CO2-emissies te rapporteren op basis van het Green House Gas Protocol. Dit model passen we toe vanaf verslagjaar 2013. Omdat het model niet volledig vergelijkbaar is met het model van de voorgaande jaren hebben we in de huidige rapportage alleen de totalen van scope 1, 2 en 3 opgenomen van de jaren vóór 2013.

De totale CO2-equivalentemissie in 2013 is hoger dan in 2012. Deze stijging komt vooral omdat we sinds vorig jaar beter inzicht hebben in onze CO2-emissies, zoals hiervoor is toegelicht. Hierdoor is de CO2-emissie vanaf 2013 met ongeveer 90 kiloton naar boven bijgesteld. Deze bijstelling geldt vanaf 2013, niet over de jaren daarvoor.
De CO2-equivalenten als gevolg van het aardgasverbruik stegen met ongeveer 36 kiloton. Van deze 36 kiloton werd ongeveer de helft veroorzaakt door het inzetten van de flare op de LNG Maasvlakte. De CO2-equivalenten ten gevolge van het elektriciteitsverbruik stegen in 2013 met 29 kiloton, dat werd veroorzaakt door de inzet van meer elektrische compressoren.

Methaanemissies

  Unit 2009 2010 2011 2012 2013
Methaanemissies GUN Ton 6.111 6.480 6.740 6.705 9.514
Methaanemissies GUD Ton 741 741 436 363 690
GU totaal Ton 6.852 7.221 7.176 7.068 10.204


Onze methaanemissies zijn in 2013 ten opzichte van de voorgaande jaren gestegen. Ook deze stijging wordt veroorzaakt door het nauwkeuriger kunnen meten van de sluipende aardgasemissies in 2013.
De sluipende emissies van gasontvangstations, meet- en regelstations en afsluiterlocaties zijn voor alle stations berekend op basis van een beperkte steekproef. De gasontvangstations meten we allemaal separaat; we hebben op dit moment de emissies van 40 van de 1.150 stations in kaart gebracht. Ook de emissies van de compressorstations hebben we in 2013 opnieuw berekend.

In Duitsland zijn de methaanemissies ten opzichte van 2012 gestegen omdat er op twee installaties een aantal testen moest worden uitgevoerd voor commissioningswerkzaamheden (in Heidenau en Folmhusen). Tijdens deze testen moesten we de druk reduceren.

Er vindt niet alleen methaanemissie plaats door sluipende emissies, maar ook door het afblazen van gas tijdens onderhoudswerkzaamheden. Afblazen is nodig om veilig werkzaamheden te kunnen uitvoeren. We proberen deze emissies natuurlijk zoveel mogelijk te voorkomen. We lichten dit verderop in deze paragraaf toe onder Hercompressie leidingwerkzaamheden. Daarnaast komt methaan vrij bij het starten en stoppen van de compressoren en bij het gebruik van meetapparatuur.

Footprintreductie

Ook in 2013 hebben we verder onderzoek gedaan naar mogelijkheden om onze footprint te verkleinen, en ook diverse concrete projecten uitgevoerd. Zoals bijvoorbeeld een omvangrijk LDAR-programma, dat we hebben uitgevoerd op onze grote compressorstations en de LNG Maasvlakte. We hebben daarbij 22 locaties bemeten en in totaal 421.000 potentiële lekbronnen beoordeeld. Ook Gasunie Deutschland heeft veel inspecties uitgevoerd in het kader van ons LDAR-programma. Met behulp van deze gegevens kunnen we gerichte maatregelen nemen om opgespoorde lekkages terug te dringen.

Meetmethodes
Er bestaan verschillende gangbare manieren om een schatting te maken van de sluipende aardgasemissies, zoals bagging, EPA21 en de Marcogaz-methode. Deze verschillende manieren van berekening laten verschillende uitkomsten zien. We hebben onze sluipende emissies berekend volgens de EPA21 methode. Om meer zekerheid te krijgen over de nauwkeurigheid van deze methode gaan we de verschillende meetmethodes in 2014 met elkaar vergelijken. Verder zullen we in 2014 meer emissiemetingen doen op stations en verdere maatregelen treffen om aardgasemissies terug te dringen.

Hercompressie leidingwerkzaamheden
Het afblazen van gas bij leidingwerkzaamheden proberen we zoveel mogelijk te voorkomen.
Soms is het echter noodzakelijk om gas af te blazen om veilig te kunnen werken aan aardgasleidingen.
Wij gebruiken al enige jaren een hercompressie-unit waarmee we zoveel mogelijk gas - dat anders zou moeten worden afgeblazen - hercomprimeren en in een andere leiding overbrengen. Zo hoeven we minder gas af te blazen. In 2013 hebben we bijna 2,3 miljoen m3(n) aardgas gehercomprimeerd, wat overeenkomt met 33 kton CO2-equivalenten.

Aan de inzet van de mobiele hercompressor zijn kosten verbonden. De minimale kostprijs voor de inzet bedraagt rond de 20.000 euro is. Hoe meer gas tijdens werkzaamheden kan worden gehercomprimeerd, des te kostenefficiënter wordt het hercomprimeren.
We hebben in 2013 naar schatting bijna een half miljoen euro bespaard op aardgaskosten door de inzet van de mobiele hercompressor.

We gebruiken verschillende technieken om leidingen gasvrij te maken. In de volgende tabel is een overzicht gegeven van de hoeveelheden aardgas die daarbij zijn vrijgekomen.

Technische maatregel 2013
m3∙1000 aardgas
Uitbufferen 1.826*
Hercompressie 2.268
Flaren 0
Afblazen 1.152

* Dit getal betreft een schatting die we hebben verkregen op basis van schakelprogramma’s, die we gebruiken om bij leidingwerkzaamheden leidingen veilig gasvrij te kunnen maken en het gastransport ongestoord via een andere route door te laten gaan.


In 2013 is er meer gas afgeblazen dan in 2012 het geval was. De belangrijkste oorzaak hiervan was dat we bij het ontmantelen van een vliegtuigbom uit de 2e wereldoorlog uit veiligheidsoverwegingen aardgas in een leidingsegment moesten afblazen. Hierbij is ongeveer 245.000 m3 aardgas vrijgekomen. Daarnaast was het noodzakelijk om bij het plaatsen van nieuwe apparatuur op compressorstation Ommen een leidingsegment af te blazen. Hierbij kwam een hoeveelheid van ongeveer 240.000 m3 aardgas vrij.

Afvalstoffen
Bij de grote diversiteit aan werkzaamheden die we uitvoeren, komen afvalstoffen vrij. Met het oog op veiligheid, milieuwetgeving, goede milieuzorg en het beheersbaar houden van de kosten, willen we op een verantwoorde manier omgaan met het afvoeren van deze afvalstoffen. We passen daarbij de voorschriften toe die zijn opgenomen in de wet Milieubeheer en de diverse milieuvergunningen die we voor onze werkzaamheden krijgen.

Als onderdeel van onze wettelijke en maatschappelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van afvalstoffen hanteren we de ‘Ladder van Lansink’. De ladder van Lansink geeft de prioriteit weer waarmee afvalstoffen moeten worden verwerkt: Preventie, Hergebruik, Recyclen, Verbranden en Storten.

Afval 2009 2010 2011 2012 2013
  (ton) (ton) (ton) (ton) (ton)
Gevaarlijk afval
Gasunie in Nederland 1.804 1.494 3.135 2.632 4.2331
Gasunie in Duitsland nb 22 59 50 41
Niet-gevaarlijk afval
Gasunie in Nederland 14.072 14.316 15.678 22.4952 16.029
Gasunie in Duitsland nb 219 290 585 127
Verwijdering van gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval
Hergebruik
Gasunie in Nederland 88,2% 90,5% 85,1% 89,2% 89,1%
Gasunie in Duitsland 70,0% 83,8% 83,2% 92,0% 75,8%
Verbranden
Gasunie in Nederland 7,5% 6,3% 6,5% 4,4% 1,7%
Gasunie in Duitsland nb 9,5% 16,8% 7,9% 24,2%3
Storten
Gasunie in Nederland 4,3% 3,2% 8,4% 6,4% 9,2%
Gasunie in Duitsland nb 7,7% 0,0% 0,0% 0,0%

nb = niet beschikbaar/niet geregistreerd
1 De stijging in de hoeveelheid gevaarlijk afval in Nederland in 2013 heeft diverse oorzaken. In dat jaar zijn enkele condensaattanks periodiek gereinigd, waarbij vervuild water vrijkwam. Daarnaast is straalgrit gebruikt voor het reinigen van leidingdelen, dat wordt verwerkt als gevaarlijk afval. Ook zijn bij projecten en andere werkzaamheden grond en puin vrijgekomen dat was besmet met asbest.
2 In verband met het grote aantal projecten dat in 2012 is uitgevoerd, is in dat jaar een extra hoeveelheid niet-gevaarlijk afval vrijgekomen.
3 Als gevolg van een sterke daling in de hoeveelheid niet-gevaarlijk afval van Gasunie Deutschland, is het percentage gevaarlijk afval op de totale hoeveelheid afval toegenomen. De hoeveelheid gevaarlijk afval is echter niet gestegen. Niet-gevaarlijk afval (75,8%) wordt in Duitsland zoveel mogelijk hergebruikt, gevaarlijk afval (24,2%) wordt in zijn geheel verbrand.


 In 2013 is in totaal 20,3 kiloton afval afgevoerd, een daling ten opzichte van 2012. Deze daling werd veroorzaakt doordat we minder grote projecten hebben uitgevoerd in 2013.

Door de lagere beschikbaarheid van grondstoffen wordt het steeds interessanter om afvalstoffen te gebruiken als halffabricaten. Daarmee heeft afval waarde gekregen. Uiteraard stelt dat hogere eisen dan voorheen aan het scheiden van afvalstoffen aan de bron.
Op onze locaties worden afvalstoffen zoals chemicaliën, oliën, vetten en onderhoudsmiddelen gescheiden ingezameld; daarna worden ze door erkende afvalinzamelaars afgevoerd naar erkende afvalverwerkingsbedrijven.
Het afgevoerde afval bestaat voor ongeveer 9% uit metaal. Het metaalafval is voor bijna 95% hergebruikt. Metaalafval komt vooral vrij bij grote projecten en bij werkzaamheden op onze installaties.
We streven ernaar zo min  mogelijk afval te verbranden. Afvalscheidingsmethodes die hergebruik mogelijk maken worden steeds beter. Als gevolg daarvan is een dalende trend waarneembaar in de hoeveelheid verbrand afval in Nederland. In Duitsland wordt niet-gevaarlijk afval zoveel mogelijk hergebruikt, gevaarlijk afval wordt verbrand.

Afvalstoffen afkomstig uit onze werkzaamheden in Nederland willen we bij voorkeur ook in Nederland laten verwerken, om onnodig transport te voorkomen. Mocht het elders moeten worden verwerkt, dan maken we duidelijke afspraken over het feit dat we in dit kader geen kinderarbeid accepteren.

Eigen energiegebruik

Aardgas
Voor het transport van aardgas worden gasturbines en gasmotoren ingezet. Een groot deel van deze machines gebruikt aardgas als brandstof. Daarnaast wordt aardgas gebruikt voor het verwarmen van gas op gasontvangstations (omdat gas afkoelt bij drukverlaging) en het verwarmen van onze kantoren en utiliteitsgebouwen.

De hoeveelheid aardgas die we transporteren en het daaraan gekoppelde brandstofverbruik dat nodig is voor compressie is onder andere afhankelijk van het weer en de vraag naar aardgas.
Door de aanhoudende winter hebben we in 2013 168,7 miljoen m3 aardgas verbruikt, een kleine stijging ten opzichte van het voorgaande jaar.

Gasverbruik 2009 2010 2011 2012 2013
Verbruik GUN (miljoen m3) 115,4 132,0 82,7 89,4 104,4
Verbruik GUD (miljoen m3) 34,2 44,6* 59,0 64,7 64,3
Verbruik totaal (miljoen m3) 149,4 176,6 141,7 154,1 168,7

 * Het energieverbruik bij GUD is in 2010 gestegen t.o.v. 2009 omdat voor het eerst het gasverbruik van het hoofdkantoor in het totaal is meegenomen.


Elektriciteit
We gebruiken elektriciteit voor de productie van stikstof (op de installaties Ommen en Kootstertille), voor compressie van aardgas (Grijpskerk, Anna Paulowna, Scheemda en Wijngaarden), voor het vloeibaar maken van aardgas (LNG-installatie op de Maasvlakte), voor de compressie die benodigd is voor de opslag van aardgas in zoutcavernes (Zuidwending) en voor onze kantoren en utiliteitsgebouwen.

Het elektriciteitsverbruik in 2013 ziet er als volgt uit:

Elektriciteitsverbruik 2009 2010 2011 2012 2013
Verbruik GUN (miljoen kWh) 299,0 284,5 338,9 382,5 441,2
Verbruik GUD (miljoen kWh) 5,8 6,5 6,7 7,3 7,4
Verbruik totaal (miljoen kWh) 304,8 291 345,6 389,8 448,6


In 2013 was minder elektriciteit nodig voor de productie van stikstof op de locaties Ommen en Kootstertille. Toch is het elektriciteitsgebruik in 2013 gestegen ten opzichte van het vorige jaar. Dat heeft meerdere oorzaken. Door de ingebruikneming van de nieuwe elektrische compressoren op de locaties Grijpskerk, Anna Paulowna, Scheemda, Wijngaarden en Zuidwending is het elektriciteitsverbruik ten behoeve van compressie sinds 2006 toegenomen. Met name de compressoren op Wijngaarden en Anna Paulowna zijn in het verslagjaar meer ingezet vanwege de lange winter. Tezamen gebruiken de installaties op Scheemda, Zuidwending, Anna Paulowna en Wijngaarden ongeveer 85% van de totale hoeveelheid elektriciteit.
Daarnaast is de LNG tank op de Maasvlakte bijgevuld.

Watergebruik
We gebruiken hoofdzakelijk water voor het koelproces in onze LNG-installatie op de Maasvlakte, voor reinigingsdoeleinden en voor sanitaire voorzieningen. In 2013 hebben we ongeveer 8,7 miljoen m3 oppervlaktewater en 46.541 m3 leidingwater verbruikt. Het gebruik van oppervlaktewater voor koeling bij de productie van LNG was in 2013 aanzienlijk hoger dan in 2012, omdat de LNG-installatie meer is ingezet voor het vloeibaar maken van aardgas. Het leidingwaterverbruik bij Gasunie Duitsland bedroeg in 2013 1.791 m3.